10 mei 2008
In 1960 woonden wij in de nieuwe buurt van Oostzaan. Zo tegen Luilak maakte ik samen met Guussie Hot en
Japie Band plannen om een flink luilakfikkie te gaan maken. Er waren ook nog andere leeftijdsgenoten bij
betrokken, maar ik ben vergeten wie. Meteen begonnen we met rotzooi te verzamelen. We mochten dat in een
leeg kippenhok leggen van de familie Hottentot, de ouders van Guus.
Die woonden aan de Dr. de Boerstraat. Nu de opslag geregeld was, konden we voortgaan met het inzamelen van brandbare waar. Zo kwamen we ook op het Stijfselmakerspad terecht waar we mensen om oude kranten en andere zaken vroegen voor de luilakbrandstapel. Na een huis of twee komen we bij Cees Pet terecht. Pet van de radiowinkel. Hij had ook wel wat voor ons. "Loop maar effe mee", zei hij. Wij mee naar de achterkant van zijn huis. "Dit mogen jullie wel hebben." Wij kijken elkaar verrast aan. "Ja hoor, je mag alles hebben, máár ik wil er wel vier autobanden voor terug!" Daar lagen zo'n 2400 fietsbanden. "Maarre, Cees, wat moet je met die vier autobanden?" "Die haal ik door midden voor aan de schoeing. Dan kan ik mijn bootje er tegen aan leggen", zei Pet. U begrijpt we hoefden er niet lang over na te denken. Het was een "deal"!
We hadden wel even een probleem, want hoe vervoer je 2400 fietsbanden. Nu zijn Oostzaanse jongens slim, dus werd er even een kar bij iemand geleend. We hebben vele keren gereden van het pad naar de Dr. de Boerstraat. Géén probleem, weet u, het was immers voor een 'goed doel': Luilak! Het kippenhok was in een mum van tijd helemaal vol. Echt, er kon helemaal niets meer bij. We hebben de boel wel goed in de gaten gehouden trouwens. Als een ander er al naar keek dachten we dat die het kwam stelen. Na de fietsbanden hebben we niets meer opgehaald. We hadden bankstellen en andere rotzooi, bergen papier en ook nog autobanden.
Het volgende probleempje diende zich aan, want waar moesten we dat luilakfikkie maken. De vader van Guus wist raad. We mochten de brandstapel op hun eilandje maken, op de Zuidkant. Daar is nu een botenclub gevestigd. Een uitstekend idee natuurlijk, hoewel we toen vonden dat het kruispunt van de Kerkbuurt met de Kerkstraat een betere lokatie was. Veel te gevaarlijk gelet op de omvang die onze brandstapel zou krijgen. Dus ging dat niet door. De pa van Guus vond dat we wel even naar de burgemeester moesten om toestemming te vragen. Wij naar burgemeester Hes. Hij vond het goed! Eerlijk gezegd had de Oostzaanse burgervader er géén idee van hoeveel wij van plan waren in de hens te steken. Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij hebben we hem dat toen uit tactische overwegingen ook niet helemaal uitgelegd.
De donderdag voor Luilak vingen we aan met het transport van de rotzooi naar het eiland. Vrijdagavond zo rond tien uur waren we klaar. We zijn toen niet naar bed gegaan, maar hielden de wacht bij de brandstapel om te voorkomen dat anderen hem misschien in de fik zouden steken. Onze grote 'vriend' Nieuwland, onze plaatselijke veldwachter, kwam ook even poolshoogte nemen. "Zeg mannen, mag dat wel van de burgemeester", vroeg hij. "Ja hoor, we hebben het zelf aan hem gevraagd. De burrie vindt het géén probleem." Nieuwland: "Oh, heb je ook gezegd dat het zo veel is?" Wij: "Ja hoor, dat weet hij!" Nieuwland geloofde dat niet en daarin had hij dus gelijk.
Het liep al tegen middernacht en dat is het moment dat de brand er ingaat. Nieuwland en de brandweer kwamen ook op het eiland om de boel in de gaten te houden. Dat was opdracht van de burrie. Hes was even om het hoekje van de Keijzerstraat wezen kijken, samen met veldwachter Leguit. Volgens deze veldwachter kon het wel. De wind zat in de goede hoek, de rook zou richting de Rimboe (Twiske) waaien. Voor Nieuwland en de brandweer regelden we nog een groot bankstel. De hele meute nam plaats en klokslag 12 uur ging de luilakstapel in de hens.
In het begin was er niet zoveel aan de hand. Na een half uur moest de bank worden verzet, terwijl die al op 20 meter van de fik stond. Warm was het en de lucht kleurde pikzwart. Fikken dat het deed en die rook ging allemaal richting Rimboe. De inwoners van Den Ilp zullen flink in de stank en de rook hebben gezeten. Af en toe mochten we wat op het vuur gooien, maar géén kranten. We hielden ons daar natuurlijk aan. Zo rond half vier in de ochtend werd het al wat lichter in de verte. Het vuur werd ook wat minder, al bleef het wel behoorlijk warm. Het was werkelijk een mooi gezicht. Trouwens ook hoe veldwachter Nieuwland en de brandweerman op ons bankstel bijna ingedut waren. Eigenlijk wilden wij op dat moment wel het eiland af om naar de Kerkbuurt te gaan. Rond deze tijd was daar zeker ook nog een Luilakfikkie. Maar hoe losten we dat nou op. We konden toch ons eigen vuur niet onbeheerd laten. Dus zeiden we tegen Nieuwland dat we nog even wat voor rotzooi gingen halen. Dit vond hij best. Eerst gingen een paar jongens met de jol over, maar die kwamen meteen niet meer terug. Toen lag er nog maar één jol. Tja, een probleempje. Maar omdat Nieuwland en de brandweerman er géén acht op sloegen gingen wij met die laatste jol naar de overkant. Veldwachter en brandweerman konden nu niet meer het eiland af. Eigenlijk kwam ons dat wel goed uit. Zonder problemen voegden wij ons zo bij de mensen in de Kerkbuurt.
Daar was ook een beste fik. Toen wij vertelden dat we Nieuwland en de brandweer achter hadden gelaten op het eiland was er grote hilariteit. En,... de fik kan nu nog wat groter worden. We mikten er nog een autoband op en een beetje benzine. Die benzine kwam uit de Solex van Jan de Vries. Hij hield zijn Solex schuin en liet de benzine zo uit zijn tweewieler in het vuur lopen. Tja, het laat zich raden wat er toen gebeurde. Het vuur liep de benzinetank van de Solex in en de hele brommer vatte vlam. Ook dat leidde tot veel hilariteit. Al kreeg hij met behulp van ons het vuur gelukkig wel uit.
Even later kwam de brandweer. Die vond het maar niks zo op de kruising. Ook de familie Onrust die daar toen vlakbij woonde vonden het niks. Logisch want ze woonden in een houten huis. Op amper vijf meter werd een fik gemaakt. Daar stak de brandweer een stokkie voor. Het vuur werd gedoofd. Intussen hoorden we van de spuitgasten dat ze Nieuwland misten. Het was hen opgevallen dat wij in de Kerkbuurt waren, waar was Nieuwland dan? Die was toch bij ons? U begrijpt dat wij ons van de domme hielden. Niet zo best eigenlijk, want op dat moment was er nog maar één veldwachter in het hele dorp. Al maakten wij ons daar niet zo'n zorgen om. Sterker nog, het kwam wel erg goed uit op zo'n luilaknacht. Géén last van veldwachters. Hier en daar hebben we posters op ramen geplakt bij mensen die lid waren van de PvdA. Daar plakten we dan poster van de CPN op. Ik weet zeker dat die sociaal-democraten dat niet zo leuk vonden.
Maar we hebben niets gesloopt.. Rond half zeven gingen we uit elkaar en naar huis. Dit was de luilaknacht van 1960. Zo heb ik het nooit meer meegemaakt. Wat een nacht en wat een fik. En,...wat zal Nieuwland de pest in hebben gehad. Zeker weten. Hij was wel zo eerlijk om jaren later te zeggen: "God wat hadden jullie mij toen mooi beet!"