26 december 2009
Het was januari, bitter koud buiten. Ik was een jaar of 9. Het vroor een graad of 7. De eenden liepen op
een harde ondergrond, er moest nodig gestrooid worden. Als de beestjes een ei legden en het op de bevroren
ondergrond viel, kon het wel eens stuk gaan.
Je had altijd van die eigen wijze eenden die niet in het binnenhok een ei legden, maar juist buiten. Het
waren soms net mensen.
Dus op naar Cees van Prooyen. Tien balen stro bestellen. Opa zeit teuge me Sijmpie, zeun, ga jij der us effe
nee Cees van Prooyen. En vraage of hij morgen tien baaltjes stro kenne brengen. Ik op de fiets naar de
Kerkbuurt. Kom daar na enige tijd an en tante Stein, zo noemde ik haar, deed open. Ik kwam wel vaker bij
deze mensen op visite. Ging ook wel eens met Cees mee. Met zijn vrachtauto. Ik vraag of Cees der is. Nee,
die is niet thuis. Die is effe weg. Maar wat wil je. Opa vraagt of hij morgen tien baaltjes stro ken brengen.
Zeun, hij zou wel willen, maar der is geen stro. Zeg dat maar tegen je opa.
Ik weer terug naar de Schafte, want daar was opa aan het werk. Toen ik binnenkwam, stond hij net de ketel op
te porren en zegt 'effe wachte zeun, ik ga effe dut doen. Ga maar vast op het bankie zitten. Wacht tot
opa klaar is met op porren. Hij haalt de porder uit de ketel. Legt hem weg, doet de ketel deur dicht en zegt:
'Be je nag bij Cees geweest?' Ja opa, maar ik moest van ze vrouw zeggen dat er geen stro was. Effe was het
stil.
Geen vloek en hij zegt, 'wanneer is er weer?' Ja, dat weet ik niet. Dat zei ze niet. Nou den moete we maar wat
aars regelen. Vanevond gaan we wel riet halen. Riet halen, waarzo opa? Nou dat zie je wel. Opa had
ochtenddienst. En was die middag vrij. Hij zei tegen me: 'ga je vanmiddag effe mee nee het Weerpad. Nee
het eten. Ja, is goed. Maar nee het eten moest hij eerst effe een dutje doen. Dus na het dutje gingen we nee
het Weerpad. Komme bij de boerenplaats aan. We stappen van de fiets af en lopen de worf op en zien daar iemand
lopen. Opa gaat naar hem toe en vraagt of hij wat riet mocht hebben wat op zijn land stond. Dit land lag
achter de worf van opa. Dat vond de man geen probleem. Opa had wel het verhaal verteld dat er geen stro
was en dat zoals het nu was niet verder kon.
Maar ik wist dus dat ik moest helpen. Want ik sliep er. Ik woonde toen nog op het Spoorpad. Het was die winter stervens koud. Ik moest dan lopend naar de Kerkbuurtschool. En als ik dan langs oma kwam ging ik me daar effe opwarmen. Als ik dan voor de kachel ging staan en mijn vingers kwamen bij begonnen ze te tintellen. Dit deed wel zo zeer. Een paar minuten lang wel. Oma had zeker medelijden want ze zei 'je moete hier maar slepe blijve. Zal vanevond als je vader weer langs komt uit zijn werk effe aanhouden dat je hier blijft slepen.' Dat gebeurde dus ook. Maar erg veel maakte het trouwens niet uit. Of ik nou op het Spoorpad sliep of in de Kattehoek,... het was boven even koud. Als ik wakker werd stond het ijs op de dekens, van mijn adem. Het scheelde wel een hele wandeling. En ook niet onplezierig: ik kon langer slapen. Zo sliep dus de hele winter bij mijn oma en opa.
Nee het eten zij opa we gaan strakkies riet
maaien met zijn drieen. Opa, me ome en ik. Ik vond dat goed. Het woord 'nee' bestond niet, je ging gewoon.
Me ome komt de worf op en opa zegt: 'we gaan'. We hadden zo’n hele grote slee. Een brok touw er aan en wij
trekken, opa liep er achter. De zeis lag op de slee met een paar grepen. Het vroor toen zo’n graad of
zeven en er stond een noorderwindje, het was dus lekker koud. Het was ook nog wel een mooie avond met een
mooi helder maantje. Maar ik had het erg koud en dat zei ik tegen mijn opa. Die reageerde: "Mooi zeun, dan
ken je je strakkies warm werken." Nou dat kwam goed.
Opa gaat riet maaien en me ome en ik gaan het bij elkaar halen en dwars op de slee leggen.
Zo hebben we een paar sleeën vol riet naar de worf gebracht. Achter op de worf hadden we een beltje gemaakt.
We hadden genoeg zei opa na een paar sleeën vol gebracht te hebben. We konden de boel opruimen en naar
binnengaan. Me ome ging naar huis, en wij naar binnen opa keek tevreden. Binnen gekomen vroeg oma of we iets
wilden drinken. Voor mij werd dat een chocolademelk. Terwijl ik dat kostelijke drankje opdronk zei opa dat ik
de volgende middag uit schook wel effe wat hokken kon gaan strooien. Maar er is geen stro opa. Wat
we net gehaald hebben moet gestrooid worden. Oh,dat. Me chocolademelk was op en ik kon naar bed.
Warm was het niet. De dekens waren puur koud. Er lagen vijf dekens op het bed. Heb
eerst denk ik 10 min. liggen rillen van de kou en ben toen in slaap gevallen. De volgende morgen riep oma me,
dat ik er uit moest. Tijd om naar school te gaan over land en zand.
Uit school gekomen. Ben ik eerst effen een paar hokken gaan strooien, heb wat gegeten en ben daarna weer
naar school gegaan. Aan het eind van de middag kwam ik thuis en was opa nog bezig de hokken aan het strooien.
Heb toen mee geholpen. Om het af te maken.
Toen we klaar waren keek hij tevreden en zei: "Zo zeun, kenne de beessies weer knap lopen."
Zo was er weer een dag vol tevredenheid om. En wij maar denken 'God, God, wat was het goed vroeger.'